Réunion tenue à la Bibliothèque Royale (Park Room) à Bruxelles, le 9 mai 2015

Vergadering in de Koninklijke Bibliotheek (Park Room) te Brussel op 9 mei 2015

 

Présents : Mmes C. Arnould, Gh. Moucharte, H. Taymans en V. Van Driessche, et  MM. P. Assenmaker, Fr. de Callataÿ, H. Dewit, J.-M. Doyen, J. Elsen, Chr. Flament, A. Fossion, W. Geets, J. Gooddeeris, J. Laureys, Chr. Lauwers, J.-Cl. Martiny, N. Meunier, J. Moens, H. Pottier, E. Schutyser, J. van Heesch, H. Vanhoudt en M. Wauthier.

Excusés : Mme M. Lakakis en A. Pourbaix-Van Haeperen, et MM. N. de Streel, R. Dillen, Ch. Doyen, M. Gheerardhijn, R. Renard, J. Richard en R. Van Laere.

Christophe Flament, Le corpus monétaire argien : les émissions des IVème et IIIème siècle ACN

Cette communication s’appuie sur l’étude, actuellement en cours, du trésor de Mycènes (ICH 171), découvert en 1895 et qui rassemble environ 3.000 monnaies d’Argos. Ce trésor, enfui vraisemblablement durant le second quart du IVème siècle ACN, rassemble des monnaies argiennes du IVème – IIIème siècle et permet de mener une étude charactéroscopique. L’étude de coins établit cinq réseaux de liaison principaux, qui n’entretiennent aucune relation entre eux. Globalement, les droits (protomé de loups) assurent la cohésion entre les différentes séries. Le cinquième réseau de liaisons, caractérisé par la présence de la lettre thêta, rassemble des pièces qui semblent plus récentes que les autres. Les liaisons entre les coins sont plus importantes et on voit apparaître des dénominations inédites (à l’exemple du monnayage athénien contemporain) en cheville avec des dénominations calquées sur l’étalon attique. Les monnaies avec la marque thêta pourraient ainsi être l’écho des réformes pondérales de cette période.

Jean-Claude Martiny, De muntslag in Gent van 1482-1485

Tijdens de vergadering van 9 mei 2015 gaf Jean-Claude Martiny een lezing over ‘de Muntslag in Gent van 1482 tot 1485, waarbij hij illustreerde hoe hij tijdens zijn studie over ‘Het Munthuis in Gent (784-1584)’ tot de conclusie kwam dat vermaarde numismaten zoals L. Deschamps des Pas en H. Enno van Gelder geen eenduidig standpunt hadden ingenomen i.v.m. die aanmunting. Vooral het omschrift bleek voor tal van vorsers een struikelblok te zijn.

Marc le Bungneteur, de muntmeester van Maria van Bourgondië, hanteerde een spoorradje als muntmeesterteken, en dit tot 1478. Zijn latere emissies zijn zonder muntmeesterteken. Toen zijn zoon hem opvolgde in december 1480 opteerde deze voor een klaverblad.

Na het overlijden van Maria van Bourgondië werd het munthuis naar Gent verhuisd, maar werden dezelfde types behouden. Men baseerde zich daarvoor op de ordonnantie van 31 juli 1482, die bepaalde dat de muntslag van de overleden hertogin onverwijld zou worden voortgezet, zonder wijziging van het type, en dit conform de ordonnantie van 14 oktober 1478. De drie muntrekeningen (A.R.A., Rekenkamer, 18.197, 18.198 en 18.199) bevestigen trouwens een vrij aanzienlijke aanmunting in Gent van goudguldens, halve goudguldens, dubbele vuurijzers, vuurijzers, groot en dubbele mijt.

Een doorbraak kwam er pas na een nieuwe lezing van een reeds gekende muntordonnantie uit 1489 (A.D.N. Chambre des Comptes, B. 33, fol. 189r°-191v°). Er werd heel specifiek verwezen naar de munten uit 1482-1485 als geslagen van mijns gheduchte heeren weghe, m.a.w. niet op naam van de landsvrouwe Maria (die overigens nooit munt heeft geslagen in Gent, evenmin als haar vader Karel de Stoute), maar naar Maximiliaan van Oostenrijk en Filips (de Schone).

Voor het dubbel vuurijzer staat vermeld:Item, de vors. meestre zal doen maeken eenen witen penninc gheheeten dobbelen stuivere metter prente van twee leeuwen zulc als lest waers van mijns gheduchts heeren weghe ghemunt was in zijn stede van Ghend, te wetene te tien penninghen …

Dit was dus conform de ordonnantie: type en beeldenaar waren ongewijzigd. Numismaten bleven echter verdeeld over de vraag of de munten geslagen in Gent in de periode 1482-1485 nog de naam van Maria van Bourgondië droegen, dan wel ook reeds het neutrale omschrift MONETA ARCHIDUCUM, d.w.z. zoals nadien in Brugge (1486-1487). Dit neutrale omschrift werd reeds gebruikt in Brabant en Gelre vanaf 1482, en werd zeker gebruikt op de in Gent geslagen 2 mijt (en vermoedelijk ook op de heden nog niet teruggevonden 4 mijt). Het omschrift bleef dus voor beroering zorgen.

Jean-Claude Martiny formuleerde zijn antwoord aan de hand van enerzijds de bestuurskundige geschiedenis van Vlaanderen en in het bijzonder van Gent en anderzijds aan de hand van de eerste rekening (A.R.A., Rekenkamer, 18.197) van Nicolas le Bugneteur.

Op 10 januari 1483 werd de minderjarige Filips als graaf van Vlaanderen erkend en er werd een regentschapsraad aangesteld onder toezicht van de Drie Leden (de steden Gent, Brugge en Ieper). Maximiliaan van Oostenrijk kreeg daarvoor 24.000 kronen schadeloosstelling. Filips was dus officieel graaf van Vlaanderen (een kind van nog geen vijf jaar!). De eerste rekening van Nicolas le Bungneteur liep van 18 juli 1482 tot 27 maart 1484 vermeldt heel duidelijk op wiens naam men munt sloeg: Rekeninghe Nicolas le Bungneteur, meester particulier van de munte van goude, zelvere en andere gesleghen ende ghemaect in de stede van Ghend, onder den name ende wapene van mijnen gheduchten heere den hertoghe Phelips als grave van Vlaendren naer der instrucien daer up ghemaect ende gheregistreert int papier memoriael van de camere van der rekeninghe mijns voorseids gheduchts heeren te Ryssele, …

Men kan gerust stellen dat alle munten aangemaakt in Gent tijdens die drie jaar het omschrift MONETA ARCHIDUCUM hebben, en dus niet enkel de gekende 2 mijt.

Vraag is natuurlijk of het dan mogelijk is de Gentse (1282-1485) respectievelijk Brugse (1486-1487) productie van zilveren munten te onderscheiden? Het antwoord hierop werd verschaft aan de hand van twee dubbele vuurijzers: Het eerste exemplaar had in de afsnede 3 klaverbladen (het muntmeesterteken van Nicolas le Bungneteur) en het tweede exemplaar had geen muntmeesterteken. Deze munt werd aangemaakt door Jehan Clays (die Nicolas le Bungneteur had opgevolgd in Gent) of vervaardigd in Brugge door de muntmeesters Pieter van Waelhem en Mahieu de Tilly (10 maart 1486-30 maart 1487).

De lezing werd besloten met een overzicht van de aantal geproduceerde munten, zowel in Gent als in Brugge.

 

 

 

©  KBGN-SRNB, 2008-2017