Séance tenue à la Bibliothèque Royale à Bruxelles, le 16 octobre 2010

Vergadering in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel op 16 oktober 2010

 

Aanwezig : Mmes C. Arnould, Gh. Moucharte, Fr. Stroobants en H. Taymans en Dhrn. P. Assenmaker, Ph. Bodet, A. Buchet, G. Chanteux, G.-X. Cornet, Y. De Craemere, J.-L. Dengis, H. Dewit, J.-M. Doyen, M. Gheerardijn, M. Greganti, S. Lefebure, G. Lejeune, J. Moens, H. Pottier, M. Rocour, Ph. Sadin, A.-F. Schepers, J. Schoonheyt, E. Schutyser, L. Smolderen, G. Testa, J. van Heesch, R. Van Laere en M. Wauthier.

Verontschuldigd : Mmes A. Van Haeperen-Pourbaix en N. Vincent en Dhrn. F. de Callataÿ, A. Decock, Ch. Doyen en W. Faes.

Le président ouvre la séance à 14h30 et souhaite la bienvenue à cette rentrée de la saison 2010-2011.

M. Smolderen fait part des décès de trois membres ayant atteint un âge élevé, à savoir M. Jadot (82 ans), qui a été trésorier de la Société, le chanoine Lanotte (93 ans), qui a été membre pendant 75 ans, et le Dr Bastien (96 ans), membre honoraire de la Société.  Les membres présents observent quelques moments de silence en leur souvenir respectueux.

On fait ensuite circuler quelques nouvelles publications, dont notamment les publications du président et de nos confrères Mme Gyselen et M. Haeck.

Mlle Arnould présente sa conférence intitulée « De l’esquisse au burin, quelques médailles de Laurent-Joseph Hart (1810-1860) ».  Elle s’est basée sur un lot d’esquisses du graveur conservé à la KBR.  Elle rappelle d’abord les grandes étapes de la vie de ce graveur, qui a commencé sa carrière à la Monnaie d’Utrecht, et est venu s’établir à Bruxelles lors de la Révolution de 1830, où il a d’abord gravé de simples médailles et insignes se rapportant à cette révolution pour ensuite passer à la création de médailles d’art.  Il y fonda son propre atelier et boutique, et réalisa plusieurs médailles qui comptent parmi les plus grandes jamais frappées (avec des diamètres allant jusqu’à 150 mm).

Le lot d’esquisses susmentionné (cliquez ici pour un exemple) fut acquis par la KBR en 1918, et contient 44 dessins pour une vingtaine de médailles, dont seulement 12 ont effectivement été réalisées.  Il est intéressant de suivre les modifications apportées sans doute à la demande des commanditaires, et de comparer les premiers dessins avec les réalisations finales, qui sont souvent moins chargées (cliquez ici pour une comparaison).

Quoi qu’il en soit, la qualité de ces créations est élevée, et nettement meilleure que celle de beaucoup de médailles, insignes, breloques etc. fabriquées à une échelle industrielle par les descendants du graveur, qui ont continué les activités, après le décès de Hart en 1860, sous le nom de De Vigne-Hart.  La plupart de ses réalisations portent d’ailleurs encore le nom de Hart, bien après le décès du graveur.  La maison affichait d’ailleurs toujours le titre de « graveur de la Maison du Roi », à un moment où elle n’avait plus créé des médailles officielles depuis plusieurs décennies.

La KBR ne conserve pas uniquement ce lot des dessins susmentionnés, mais également une partie de la tupothèque, composée d’environ 500 pièces, qu’elle a pu acquérir lors de la fermeture de l’atelier en 1974.  Elle détient également le tour à réduire du graveur ; en revanche, son balancier se trouve toujours à l’endroit original, dans un magasin des Galeries Saint Hubert(cliquez ici pour une image).

Juffr. Stroobants houdt een lezing over de muntslag in Klein-Azië in de derde eeuw nC, en meer bepaald over de lokale muntslag in brons in Pisidia en Pamphylia in het zuidwesten van het huidige Turkije (klik hier voor een afbeelding).  In deze regio, die sinds 25 vC Romeins bezit was, bevonden zich talrijke Griekse en Romeinse kolonies waarvan vele (op een bepaald moment meer dan 350; klik hier voor een afbeelding) eigen bronzen munten hebben uitgegeven; deze muntslag verdwijnt na de onder Gallienus besliste decentralisatie van de keizerlijke muntslag, waardoor de lokale muntslag waarschijnlijk overbodig werd.  De spreekster heeft geprobeerd een verband te vinden tussen deze uitgiftes en politieke, militaire en sociaal-economische gebeurtenissen en evoluties in de regio in de loop van de derde eeuw, zoals die kunnen worden gereconstrueerd in enkele casestudies.  De analyse had betrekking op ongeveer 4.100 munten, beschreven in de SNG en de BMC en beschikbaar in de verzamelingen van het Penningkabinet.  De keuze voor deze regio was mede gebaseerd op dit groot aantal beschikbare stukken, en op het eerder a-typisch karakter van de regio, in termen van interne en externe communicatiemogelijkheden, en in termen van wisselend strategisch belang in de oorlogen tegen de Parten, de Sassaniden en de Goten. Daarnaast was deze regio ook interessant omdat de lokale muntslag er bleef doorgaan onder de keizers Claudius II Gothicus, Valerianus en Tacitus, terwijl die elders in het Oosten werd gestaakt onder keizer Gallienus.

Een eerste hypothese was, dat de lokale emissies samenhingen met de aanwezigheid of althans de doortocht van Romeinse troepen : zo is er inderdaad een groot aantal stukken bekend van Antiochië voor Gordianus III (trouwens vaak met militair geïnspireerde iconografie; klik hier voor een afbeelding), waarvan geweten is dat hij zijn troepen in die stad heeft gelegerd, maar ook onder latere keizers werd daar nog intensief lokale munt geslagen, hoewel er toen geen troepen gelegerd waren in Antiochië.  Anderzijds, zijn er geen muntuitgiftes bekend van andere steden waarvan wel is geweten dat er troepen waren gelegerd. Anders gezegd, is er dus geen eenduidig verband tussen de aanwezigheid van troepen en de uitgifte van munten.

Een tweede hypothese betreft het verband tussen de uitgifte van munten en het houden van zgn. agones, een soort sportief festival dat heel wat volk naar de stad trok waar ze werden gehouden.  Dit verband wordt bevestigd door de iconografie van meerdere munten, die bijvoorbeeld prijskronen voor de wedstrijden tonen (klik hier voor een afbeelding).  Overigens is er voor sommige steden ook een verband tussen het houden van agones en de aanwezigheid van troepen.

Een derde hypothese betreft de invloed van de urbanisatiegraad op de uitgifte van munten : grotere steden impliceert grotere markten dus grotere behoeften aan gemunt geld.  Ook dit verband blijkt echter niet eenduidig te zijn, want van meerdere grotere steden (vb. Phaselis in Pamphylia) zijn geen lokale uitgiften bekend, terwijl dit dan wel weer het geval is voor een aantal kleinere steden (vb. Ariassos in Pisidia).

Wel is het zo, dat de "lokale" uitgiften niet alleen als betalingsmiddel werden aanvaard in de stad van uitgifte, maar ook in andere steden uit de regio (dit blijkt bijvoorbeeld uit de munten gevonden tijdens opgravingen in Sagalassos, die voor ongeveer de helft uit eigen uitgiften bestaan, en voor de andere helft uit munten van omliggende steden, voor het merendeel trouwens uit de Pamphylische havenstad Perge; eenzelfde patroon geldt trouwens ook voor keramische voorwerpen die daar werden gevonden).

De eindconclusie luidt dus, dat militaire aanwezigheid en het houden van agones zeker een impuls zullen hebben gegeven aan lokale uitgiftes, maar dat er daarnaast ook de noodzaak om te beschikken over pasgeld, en de mate waarin deze behoefte al dan niet kon worden ingevuld via bevoorrading uit omliggende steden, een rol heeft gespeeld.  Daarnaast bevestigt de analyse het belang van de regionale handelsstromen, en het strategisch belang van de regio als uitvalsbasis in de grensoorlogen.  De spreekster gaat ook nog in op de redenen waarom deze stedelijke muntslag uiteindelijk is stopgezet : hoogstwaarschijnlijk was hij, mede door het beschikbaar komen van grote hoeveelheden keizerlijke munten, niet meer echt nodig, en verminderde daarmee ook het winstgevend karakter ervan; daarnaast verdween ook het belang dat de plaatselijke elite hechtte aan lokale muntslag als bewijs van haar autonomie t.o.v. Rome, omdat deze elite meer en meer Romeins en niet meer stedelijk was ingesteld.

Dhr. Schutyser wenst te weten of enerzijds, de waardeaanduiding op sommige van deze lokale uitgiftes conform was met het keizerlijke monetair stelsel, en anderzijds, of de studie uitsluitsel heeft gegeven over de reden(en) waarom sommige stukken, geslagen onder Cladius II, een instempeling dragen.  De spreekster bevestigt dat deze punten buiten haar studiedomein vielen.

Le président clôture la séance vers 16h30.

 

 

Fermer Sluiten Close
 

©  KBGN-SRNB, 2008-2017