Assemblée générale extraordinaire tenue à la Bibliothèque Royale de Belgique à Bruxelles, le 17 octobre 2009

Buitengewone algemene vergadering gehouden in de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel, op 17 oktober 2009

Première partie : Assemblée générale des membres titulaires
Eerste deel : Algemene vergadering van de werkende leden

Présents – Aanwezig : G.-X. Cornet, J.-L. Dengis, A. Haeck, J. Moens, Gh. Moucharte, M. Rocour, A.-Fr. Schepers, J. Schoonheyt, E. Schutyser, H. Taymans, M. Vancraenbroeck, J. van Heesch, R. Van Laere, K. Ver­boven en R. Waerzeggers.

Excusés avec procuration – Verontschuldigd met volmacht : F. de Callataÿ, J. Druart, J. Elsen, W. Faes, A. Fossion, J. Jadot, R. Godfrain, H. Pottier, L. Smolderen, J.-Cl. Thiry, V. Van Driessche et Cl. Van Nerom.

Excusés sans procuration – Verontschuldigd zonder volmacht : J.-M. Doyen et Ch. Logie.

Le Président ouvre l’assemblée générale extraordinaire des membres titulai­res à 14h10, et constate que, compte tenu des procurations, un nombre suffisant de membres titulaires (27 sur 47) est présent ou représenté pour pouvoir voter sur tous les points à l’ordre du jour.

M. Vancraenbroeck fait remarquer que l’invitation à cette assemblée n’a pas précisé qu’il s’agissait, pour ce qui concerne la modification aux statuts, d’une seconde assemblée.  Vu que le point en question figurait déjà à l’ordre du jour de l’assemblée générale d’été à Namur, et qu’il a été repris tel quel à l’ordre du jour sur l’invitation de l’assemblée extraordinaire d’aujourd’hui, le président est d’avis qu’il ne pourrait y avoir de malentendu possible; de plus, le point concerne une modification qu’on pourrait qualifier de purement « cosmétique », qui ne change rien aux droits et obligations des membres; aussi propose-t-il de procéder à son vote.

M. Vancraenbroeck fait remarquer que selon la loi sur les asbl, le titre de « commissaire » est réservé aux « grandes » asbl (ce que la SRNB n’est pas), et que dans ce cas, le titulaire doit être membre de l’Institut des Réviseurs d’Entrepri­ses.  Il a transmis les documents législatifs à ce sujet au secrétaire.  Le président ne peut que constater que la rédaction actuellement proposée à l’AGE a été soumise pour avis à deux juristes, qui n’ont pas fait d’objection.  Le secrétaire argumente qu’il y a lieu de faire la distinction entre le titre et la fonction.  La description de la fonction de « commissaire » actuellement proposée à l’AGE est conforme à ce qui est prévu pour les « petites » asbl, et rien n’interdit une asbl à donner un titre spécifique de son choix à cette fonction.  C’est par ailleurs le cas du titre de membre « titulaire » utilisé par la Société, qui n’est pas prévu dans la loi sur les asbl, qui utilise le terme de membre « effectif ».

Il est convenu de passer au vote du texte tel qu’il a été communiqué aux membres titulaires dans leur convocation.  Après dépouillement des votes, la proposition est acceptée par 23 oui contre 2 non et 2 abstentions, soit par plus que les 2/3 requis par la loi.

Le président présente la candidature de M. Bodet comme membre corres­pondant.  Dhr. Verboven stelt de kandidatuur voor van dhr. Van den Berghe als corresponderend lid.  Hun kandidaturen worden aanvaard met resp. 25 ja-stemmen bij 2 onthoudingen en 27 ja-stemmen.

De secretaris licht kort het voorstel toe om over te gaan tot de verkoop van oude exemplaren van de RBN aan prijzen die merkelijk onder de tot nu toe gebruikte prijs (€ 55) liggen, maar waarbij moet worden vastgesteld dat aan deze prijs er nagenoeg geen exemplaren meer worden verkocht.

Dhr. Waerzeggers merkt op dat het risico bestaat dat, gelet op de zeer voor­delige prijs voor eerder recente nummers (tot 2000), eventuele geïnteresseerden niet meer aansluiten bij het Genootschap, maar wachten tot ze de exemplaren aan een goedkope prijs kunnen aankopen, ook al moeten ze dan een kleine 10 jaar geduld uitoefenen.  De secretaris antwoordt dat de gehanteerde prijzen in overeenstemming zijn met de “marktprijzen” op veilingen.  Bovendien zal van­af nu het aantal gedrukte exemplaren veel nauwer aansluiten bij de ledenaan­tallen + de abonnementen, zodat er in de toekomst slechts een zeer beperkte voorraad van de meer recente nummers zal beschikbaar zijn, waardoor het dus niet meer nodig zal zijn deze laatste aan promotieprijzen aan te bieden.

Het voorstel van “promotieprijzen” wordt goedgekeurd met 26 ja- en 1 neen-stem.  Tot een nader te bepalen tijdstip gelden dus de volgende prijzen : RBNs tot aan WO I : € 40 per ex., RBNs vanaf WOI tot 1960 : € 20 per ex.; RBNs vanaf 1960 tot en met 2000 : € 10 per ex.; volumekortingen van 10% voor leverbare bestellingen tussen € 50 en 100, 15% tussen € 100 en 250, en 20% boven € 250; leden krijgen een bijkomende korting van 10%.

Le président rappelle aux membres titulaires qu’ils peuvent se procurer la nouvelle médaille de membre, que M. Vancraenbroeck fait circuler, avec gravure de leur nom (mais pas de l’année de leur élection comme membre titulaire).

Le Président clôt l’AGE à 14h40.

 

Seconde partie : Assemblée plénière
Tweede deel : Plenaire vergadering

 

Présents – Aanwezig : Voir ci-dessus ainsi que – Zie hierboven evenals : C. Arnould, Ph. Bodet, Y. Decraemere, Ch. Doyen, Fl. Liard, W. Geets, G. Lejeune, Dhr. en Mevr. A. Michiels, D. Straetmans en B. Van den Berghe.

Excusés – Verontschuldigd : Voir ci-dessus ainsi que – Zie hierboven evenals : R. Demarie, M. Gheerardijn, P. Pasmans en N. Vincent.

Le Président ouvre la séance à 14h45, et souhaite la bienvenue aux nouveaux participants et surtout aux deux nouveaux membres correspondants qui sont applaudis par l’assemblée.

Dhr. Michiels houdt een spreekbeurt over “Anderpus – Een Merovingische munt reveleert de ontstaansgeschiedenis van Antwerpen”.  Het stuk in kwestie betreft een gouden tremissis, gevonden in 1853 bij graafwerken ten noorden van Antwerpen, en beschreven in de RBN 1853 door Cuypers van Velthoven, de toenmalige eigenaar.  Het stuk is nadien verkocht aan het Penningkabinet van de BnF in Parijs, waar het nog altijd berust; het betreft nog steeds een enig gekend exemplaar.  Op basis van stijlkenmerken (o.a. gelijkenissen met andere tremissis-stukken) en van het gewicht, kan het stuk worden gedateerd uit de periode ca. 600 tot ca. 675, waarin meerdere honderden muntateliers actief wa­ren.  De voorzijde van het stuk en van een aantal andere munten uit dezelfde periode lijkt (voor propagandaredenen ?) te zijn afgeleid van antoniniani van de Romeinse keizer Gallienus (buste met stralenkroon, schild en speer).  Veel historici zijn bezweken voor de verleiding om het stuk aan de huidige stad Antwerpen toe te wijzen, waarbij er dan wel een leegte zou zijn tussen deze aanmunting en die van zilveren stukken enkele eeuwen nadien, die ontegen­sprekelijk aan de huidige stad Antwerpen mogen worden toegewezen.

Een onderzoek van historische bronnen waarin de naam Antwerpen of een etymologische voorganger ervan wordt vermeld, heeft de spreker tot de volgende vaststellingen gebracht.  Het oudst gekende werk is een biografie van St.-Elooi, bisschop van Doornik in de 7de eeuw, en waarin zijn reis doorheen zijn bisdom (waartoe toen ook de huidige provincies Oost- en West-Vlaanderen vielen, maar niet de huidige provincie Antwerpen) wordt beschreven.  Tijdens deze reis maakt hij kennis met de Andouerpenses, volk dat daar op dezelfde voet wordt geplaatst als de Flandrenses, de Fresiones en de Suevi.  Uit de manier waar­op deze volkeren worden opgesomd, kan worden afgeleid dat de Andouerpenses en de Flandrenses buren van elkaar waren.  Dit blijkt ook uit een andere tekstpassage, waarin de termen Flandris en Andouerpis in dezelfde zin voorkomen.

Het gebruik van twee varianten (Flandri/Flandrenses resp. Andouerpi/ Andouer­penses) voor hetzelfde begrip, waarbij wordt verbogen volgens de tweede resp. de derde Latijnse verbuiging, kan erop wijzen dat de tekst is gebaseerd op verslagen uit verschillende bronnen of van verschillende tijdstippen; in ieder geval betreft het in beide gevallen de aanduiding van een volk, en niet van een locatie.  Overigens was reeds in de 16de eeuw de humanist Petrus Divaeus tot dezelfde conclusie gekomen.  In latere geschriften (10de eeuw) is de term Andouerpis, als versteende ablatief, wel gebruikt om er de huidige stad Ant­werpen mee aan te duiden, maar voor de 7de eeuw is dit nog niet aangetoond.  Overigens zijn er andere voorbeelden van dergelijke versteende ablatieven gekend, en het gaat dan telkens om namen van steden die zijn afgeleid van de naam van het volk dat de regio errond bewoonde (vb. Lutetia in Parisis, nadien verkort tot Parisis als versteende ablatief, en nadien nogmaals verkort tot Paris – ook Samarobriva in Ambianis Ambianis Amiens).

Op de munt staat evenwel Anderpus, allicht een verkorting van And(o)uerpus (in middeleeuws Latijn werd de Latijnse u soms als ou geschreven); deze vorm betreft een accusatief meervoud, die ook wordt teruggevonden op andere Merovingische munten van steden die de naam van het volk droegen (vb. Parisius voor Parijs, Treverus voor Trier).  Het bevestigt dat de verwijzing slaat op de hoofdplaats van de Anduerpi, die echter niet noodzakelijk de huidige stad Antwerpen is.

De spreker behandelt ook de etymologie van het woord Antwerpen.  In de term Andouerpis kunnen de letters rpafkomstig zijn van het Latijnse ripa (oever) of het ermee verwante proto-Keltisch woord reipp; andoue kan een contractie zijn van een samenstelling van de Latijnse woorden ambo (beide) en duo (twee); dit is geattesteerd in het laat-Latijnse ambaeduae stellae (beide sterren), evenals in de gekende oud-Franse woorden ambesdous, ansdeus en andous, en in het Italiaanse ambedue.  De naam Ambidouesreipi, verlatijnst tot Anduaeripi en Anduaeripenses Andue(s)ripensesAndouerpenses zou dus zoveel betekenen als “volk dat aan de beide oevers van de rivier woont”.  De spreker verwijst in dit verband naar andere namen van volkeren waarin het Keltische woord ambi (rondom) en de naam van een rivier kunnen worden herkend (vb. Ambisontes = rond de Isonta, Ambidravi = rond de Drava).  In het geval van Andouerpis is het enigszins onduidelijk over welke rivier, dus welk volk/welke streek het dan zou gaan.  Ook bij andere volkeren wordt de rivier niet bij name genoemd, misschien om redenen van taboe, zoals bij de Ambiani (rond de rivier) en de Ambivareti (rond het water).  Misschien gaat het om de Toxandriërs, vermeld door Plinius (op de linkeroever) en Ammianus Marcellinus (op de rechter­oever), en die dus op de beide oevers van de Schelde zouden hebben gewoond, en waarvan Plinius stelt dat ze ook gekend waren onder verschillende andere namen, waarvan Andueripi er dus een kan zijn geweest.  Deze regio (langs beide zijden van de Schelde) stemt ook overeen met het middeleeuwse libertas castrensis operis, dat dus van een veel oudere oorsprong zou zijn.

M. Schoonheyt donne une conférence sur « Les couvertures à points de la Hudson Bay Company (HBC) ».  Cette compagnie a été fondée à Londres, en 1670, pour faire le commerce de la Baie d’Hudson au Canada, où habitaient diverses populations amérindiennes depuis environ 1.400 avant J.-C.  Les Européens (les Français déployaient également des activités commerciales au Canada, autour de Montréal, via la Compagnie du Nord-Ouest = CNO) étaient surtout intéressés dans les fourrures, avec, en premier lieu, les peaux de castor, mais aussi de loutre, de renard, d’ours etc. (animaux d’ailleurs représentés dans les armoiries de la HBC).  Les Amérindiens s’intéressaient surtout aux couver­tures en laine, mais aussi à l’eau de vie, aux armes à feu, aux produits en cuivre, etc.

Les couvertures en question furent d’abord introduites par les Français ; elles portaient des points, c’est-à-dire des petites lignes tissées ou cousues dans un coin de la couverture, et qui en précisait les dimensions ; dès 1682, de pareilles couvertures sont produites en grande masse en Angleterre, et dès 1690, et cela jusqu’en 1890, elles s’imposent comme le plus courant moyen d’échange pour l’achat de pelleteries.  Comme « unité de compte », la HBC introduit le plue, correspondant à une peau de castor adulte de bonne qualité ; en 1750, selon un barème de la HBC dont l’application est cependant incertaine, 1 couverture valait 6 plues ; en 1780, la HBC adopte même officiellement la couverture com­me moyen d’échange.  Elles étaient notamment utilisées par les Anglais pour payer des indemnités aux chefs locaux, qui souvent les redistribuaient lors de cérémonies de potlatch (= don), qui sont encore attestées vers 1900.

Notons que pour les Amérindiens, ces couvertures n’avaient d’ailleurs pas uniquement une valeur marchande, mais aussi une valeur spirituelle.  Et elles suivaient aussi la mode, notamment en ce qui concerne les couleurs utilisées.  Ces couvertures sont encore fabriquées aujourd’hui, et sont devenues un symbole de l’identité canadienne.

Pour être complet, le conférencier mentionne aussi les jetons que la HBC a émis en 1857 ; ils sont en laiton, et portent une valeur faciale exprimée en plues.

Le président prononce la clôture de la séance vers 16h20.

 

 

Fermer Sluiten Close
 

©  KBGN-SRNB, 2008-2017