Séance tenue à la Bibliothèque Royale à Bruxelles, le 19 mai 2012

Vergadering in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel op 19 mei 2012

 

Présents : Mmes G. Moucharte, F. Stroobants et C. Arnould et MM. J. Moens, P. Veldeman, Fr. de Callataÿ, L. Smolderen, R. De Marie, A. Haeck, H. Pottier, A.F. Schepers, M. Rocour, E. Schutyser, Y. De Craemere, P. Pasmans, R. Dillen, M. Wauthier, J.-M. Doyen, G. Testa, Ch. Lauwers, Ch. Doyen, G. Lejeune, P. Assenmaker, R. Van Laere en J. van Heesch.

Excusés : Mme Agnès Van Haeperen-Pourbaix et MM. Julian Richard, Jean Elsen, Hugo Vanhout, Philippe Sadin, Marc Gheerardijn en Fons Van Baelen.

Le Président ouvre la séance à 14h30. Il rappelle que l'AG d'octobre aura à se prononcer sur les nouveaux statuts et le nouveau règlement d'ordre intérieur, et invite les membres à lui envoyer leurs suggestions pendant les mois d'été.

Il passe la parole à François de Callataÿ pour sa conférence intitulée Bibliométries numismatiques : où en sommes-nous ? (un case-study en sciences humaines).

Les enjeux se concentrant autour de la bibliométrie occupent les premières places dans les rapports scientifiques. La question n’est pas sans importance quand il s’agît de mesurer, entre autre, l’impact et la visibilité d’une discipline dans le champ scientifique, en général et dans celui des sciences humaines en particulier.

Les principaux moteurs de recherches scientifiques accordent une faible place (mais en augmentation) aux revues en sciences humaines et nulle (Web of Science [Thomson-Reuter]) ou quasi-nulle (1 seule revue pour Scopus [Elsevier]) aux revues numismatiques. On peut estimer que seul 1% des publications numismatiques sont ainsi prises en compte. Toute autre apparaît la situation avec Publish or Perish, un outil qui recycle l’information disponible sur Google Scholar.

Cette contribution, qui délaisse tout ce qui relève des auteurs, s’intéresse spécifiquement à la place des revues. Elle compare le classement ERIH (European Review Index for the Humanities) avec les résultats de Publish or Perish, et surtout ceux dégagés à la faveur de fastidieux comptages menés sur un échantillon de volumes récents de grandes revues numismatiques, lesquels prennent en compte deux types de données : la fréquence des revues numismatiques citées et leurs âges (avec bien des variations autour de ces données de base). On aboutit de la sorte à une grande cohérence entre les trois classements qui tous placent en tête la Numismatic Chronicle et la Revue numismatique, suivies par l’American Journal of Numismatics et … la Revue belge de Numismatique qui fait ainsi partie du peloton de tête dans le domaine. Des propositions sont formulées pour améliorer le classement ERIH.

Au total, il apparaît que ca. 8% seulement de l’information totale provient des 8 revues classées par ERIH et que la numismatique se caractérise par un faible taux d’ouverture à d’autres domaines et, à l’inverse, un taux important d’auto-citations, où chaque grande revue nationale se cite d’abord elle-même. L’âge médian des citations y est aussi beaucoup plus élevé qu’ailleurs (ca. 22 ans, très au-dessus des 14 ans enregistrés en sciences humaines et des 8 ans en sciences sociales). Cette situation ne vaut du reste pas pour les actes des colloques scientifiques, comme ceux publiés par la RBN dernièrement, lesquels témoignent de pratiques plus conformes à la norme académique.

Avec environ 2.000 pages par an, les huit revues classées par ERIH (NC, RN, RBN, SNR, AIIN, JNG, NZ et SM) ne représentent qu’une part réduite de la production numismatique annuelle, laquelle – pour s’en tenir aux publications « scientifiques » – doit approcher les 25.000 pages (soit ca. 70 pages par jour). Ces chiffres sont à multiplier par un coefficient au moins de 2 si l’on veut prendre en compte le vaste monde des publications amateurs, telles que publiées par les cercles de numismatique à travers le monde.

De Voorzitter geeft vervolgens het woord aan Piet Veldeman voor zijn voordracht De Penningen op het oorlogspad ? De collecties van Charles Lefébure (1862-1943) en de Koninklijke Bibliotheek als unieke getuigen van het symbolisch verzet tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Hij concentreert zich hierbij op numismatisch materiaal, in de meest brede zin van het woord, dat uiting gaf aan het “symbolisch verzet” van de bevolking in bezet België tijdens WO I. Zijn uiteenzetting omvat drie delen : een definitie van wat onder “symbolisch verzet” moet worden verstaan – een studie van het fenomeen – en tenslotte, een epiloog.

Algemeen gesproken was het verzet tijdens WO I heel wat kleinschaliger dan tijdens WO II, ook al werden er wel mensen en informatie gesmokkeld (vooral aan de grens met Nederland) en bestond er een illegale pers (vooral de krant La Libre Belgique). Het “symbolisch” verzet van de bevolking bestond in de eerste plaats uit het op een eerder provocatieve manier tonen van zijn vaderlandsliefde, vb. door het tooien van uitstalramen met Belgicana, door het uitbrengen van postkaarten die een open hulde brachten aan het Belgisch Leger en zijn opperbevelhebber, koning Albert I, door het kiezen van patriottische voornamen voor de nieuwgeboren kinderen, en last but not least, door het dragen van numismatisch materiaal waaruit duidelijk een vaderlandslievende gezindheid bleek. Brussel telt momenteel vijf openbare verzamelingen met dergelijk materiaal : het Penningkabinet, het Koninklijk Legermuseum, het Algemeen Rijksarchief, het Archief van de Stad Brussel en dat van het Koninklijk Paleis. Die van het Penningkabinet blijkt eigenlijk uit twee delen te bestaan : enerzijds, de verzameling geschonken door Ch. Lefébure, en anderzijds, de eigentijdse aankopen door de toenmalige beheerder van het Penningkabinet, V. Tourneur. Lefébure is de auteur van een monumentaal werk met alle metalen memorabilia uitgegeven tijdens WO I en dat werd gepubliceerd in 1923 (het daaropvolgend jaar schonk hij zijn verzameling aan het Penningkabinet, m.i.v. zijn médaillier). Deze verzameling was het resultaat van aankopen bij de huizen die de memorabilia op de markt brachten, en telt ca. 7.000 stuks, maar enkel vervaardigd in metaal. De aankopen van Tourneur waren niet beperkt tot metalen voorwerpen, maar omvatten ook niet-metalen objecten (vooral in stof) die letterlijk op de hoek van de straat te koop werden aangeboden. Deze verzameling telt ongeveer 3.000 stuks, maar de aankopen begonnen pas in december 1914, zodat ze geen objecten bevat van tijdens de eerste oorlogsmaanden (augustus-november 1914). Na de schenking van Lefébure werden beide verzamelingen trouwens geconsolideerd, en de “dubbels” werden overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief, maar zonder documentatie.

Een analyse van de objecten toont aan dat er reeds de eerste dagen na de Duitse inval op 4 augustus 1914 patriottische penningen op de markt werden gebracht : aanvankelijk ging het nog om stukken die werden geslagen met bestaande matrijzen maar nu aangepaste inscripties kregen, maar zeker vanaf de bezetting van Brussel op 19 augustus 1914 begint er een specifieke productie, waarbij de objecten rond vier thema’s kunnen worden gegroepeerd :

 

 

  • het Belgisch Leger, met vb. stoffen insignes in de vorm van hoofddeksels (vooral kwartiermutsen) van de verschillende legereenheden, of (imitaties van) knopen van Belgische uniformen, die werden voorzien van een gegraveerde tekst, of ook ringen met de afbeelding van soldaten en het Belgisch wapenschild
  • de Geallieerden, of juister gezegd, de Garanten van de Belgische neutraliteit, in de vorm van stoffen insignes met de vlaggen van landen die in oorlog waren met de Centrale Mogendheden
  • Belgicana allerhande, vb. penningen met het bekende “Omnium Gallorum Belgae sunt fortissimi” van Julius Caesar, of munten met het jaartal 1914 die worden verwerkt tot breloques
  • de helden en idolen, met in de eerste plaats de leden van de Koninklijke Familie, maar ook Belgische prominenten die zich verzetten tegen de Duitsers (vb. kardinaal Mercier), of buitenlandse helden (vb. Brand Whitlock, de ambassadeur van de USA).

De spreker schetst ook de vindingrijkheid waarmee de Belgische, en in de eerste plaats Brusselse, bevol­king uiting gaf aan zijn vaderlandsliefde door het dragen van deze objecten, vooral n.a.v. de 21 juli-dagen in 1915 en 1916 : zo werd het verbod om insignes te dragen met de Belgische kleuren of met vlaggen van de landen die in oorlog waren met Duitsland, omzeild door zich dan te tooien met insignes met de kleuren van de USA, of met groene kledingsstukken, of met insignes in de vorm van een klimopblad dat symbool stond voor de Belgische weerstand. Maar toen in 1916 de Duitsers zware boeten begonnen op te leggen aan tekenen van symbolische weerstand, nam de productie van dergelijke objecten drastisch af, en vond de vaderlandsliefde eerder een uitlaatklep in het steunen van pro-Belgische liefdadigheids­werken.

Na de Wapenstilstand op 11 november 1918 en de terugkeer van de Koninklijke Familie naar Brussel, was er dan een nieuwe opstoot van de productie van dergelijke patriottische insignes, maar die was eerder van korte duur. De insignes die later op de markt komen, herdenken vooral gesneuvelde militairen of verdienstelijke landgenoten.

Le président clôture la séance vers 16h30.

 

 

Fermer Sluiten Close
 

©  KBGN-SRNB, 2008-2017